Interview op straat over natuurvriendelijk isoleren voor Vroege Vogels

Vleermuizen beschermen en na-isoleren met het pre-SMP/ SMP

In Nederland worden jaarlijks zeer grote aantallen woningen na-geïsoleerd. Het na-isoleren heeft een groot nadeel, omdat vleermuizen gedood worden en verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Dit kan dus resulteren in het decimeren van het aantal vleermuizen en het verdwijnen van belangrijke verblijfplaatsen. De Wet natuurbescherming (Wnb) verbiedt het doden en verwonden van vleermuizen en het aantasten van hun vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet geldt voor iedereen en dus ook voor burgers. Bij particuliere huizenbezitters is de wet vaak onvoldoende bekend en zijn de kosten van de benodigde onderzoeken, ontheffing en maatregelen erg hoog. In de praktijk wordt er daarom geen tot weinig aandacht aan geschonken. Dit betekent dat in die gevallen veel vleermuizen sterven en verblijfplaatsen verloren gaan. Voor het bevoegd gezag is het handhaven van alle particuliere na-isolatie een onmogelijke zaak. Het vraagt een immense inspanning aan arbeid (die al schaars is) en het zal het draagvlak voor natuurbescherming ook enorm doen dalen. Daarnaast kan er pas gehandhaafd worden als de overtreding wordt/ is begaan en dan is het leed al geschied. Het voorlopig verbieden van verduurzamingsmaatregelen is natuurlijk ook niet juiste keuze, omdat we allen weten hoe belangrijk het is om te werken aan een beter klimaat. Hoe kan het verduurzamen van woningen en het beschermen van vleermuizen dan toch samengaan?

Er is al jaren  lang op verschillende niveaus en door veel organisaties en partijen nagedacht over een oplossing, maar tot voor kort waren dit vruchteloze inspanningen. Voor Provincie Utrecht ging het allemaal niet snel genoeg. Iedere dag zonder oplossing gaat het doden van vleermuizen en het wegnemen van verblijfplaatsen door. Uiteraard dient zorgvuldigheid bij het zoeken naar een oplossing in acht genomen te worden, maar de negatieve gevolgen wil je natuurlijk liever gisteren dan vandaag nog wegnemen. Provincie Utrecht heeft daarom de stoute schoenen aangetrokken en zelf het voortouw genomen om dit probleem aan te pakken.

De oplossing bestaat uit een tweetrapsraket, namelijk een lange termijn oplossing en een korte termijn oplossing. De lange termijn oplossing is er op gericht dat gemeenten gaan werken met een soortenmanagementplan (SMP). Een SMP kan gezien worden als een plan waarin de bescherming van soorten is geregeld, maar waarbij ook de mogelijkheden blijven bestaan om ruimtelijke ingrepen te doen (zoals na-isoleren, maar ook slopen, bouwen, groenbeheer etc.). De strekking van een soortenmanagementplan is dat er eerst een gedegen onderzoek gedaan wordt en dat er met de juiste maatregelen een positieve boost gegeven kan worden aan de populaties (denk aan maatregelen voor verblijf, voedsel, veiligheid, voortplanting en verbinding). Ruimtelijke ingrepen blijven (met bepaalde spelregels inachtname) mogelijk, omdat op grotere schaal de gezondheid van kolonies en populaties wordt gewaarborgd. Het komt er kortweg op neer dat er plusjes worden gezaaid voor beschermde soorten, waarna er best eens een minnetje geoogst mag worden (zolang de plusjes maar altijd meer zijn dan de minnetjes). Normaliter wordt er voor de Wnb bij een ruimtelijke ingreep alleen gekeken naar de effecten van die ingreep en worden er daarvoor maatregelen genomen. Zo wordt er bij iedere ruimtelijke ingreep op postzegelniveau gehandeld. Bij een SMP wordt er niet op postzegelniveau gekeken. Er wordt op postzegelalbumniveau gekeken, dus een overzicht van de hele verzameling postzegels (oftewel van een groter leefgebied van beschermde soorten). Op deze manier zijn effecten beter te bepalen en kunnen er passendere maatregelen genomen worden die de populaties ten gunsten komen en niet alleen voor een paar individuen die bij een ingreep effecten ervaren.

Een SMP kan dus een veel betere oplossing zijn voor het beschermen van soorten dan de normale gang van zaken. Een nadeel van een SMP is dat het wel twee jaar kan duren voordat het plan gereed is en daardoor geen oplossing is die op korte termijn resultaat biedt. Totdat het SMP gereed is, is het niet acceptabel dat het doden van vleermuizen en het vernietigen van verblijfplaatsen ongebreideld doorgaat. In die tussenliggende periode kan gewerkt worden met het pre-SMP. Bij het pre-SMP worden maatregelen genomen om doden van vleermuizen te voorkomen en worden op verschillende manieren nieuwe verblijfplaatsen gecreëerd.

Het doden wordt voorkomen doordat er bij ieder pand vanuit gegaan wordt dat er vleermuizen aanwezig zijn. Aanwezigheid hoeft dus niet eerst aangetoond te worden door een ecoloog. Door de panden ongeschikt te maken voor vleermuizen, waardoor deze op eigen tempo het pand kunnen verlaten, wordt er voor gezorgd dat de panden vleermuisvrij zijn op het moment dat er geïsoleerd gaat worden. Het ongeschikt maken vindt plaats op de wijze die normaliter ook al wordt toegepast bij reguliere projecten, namelijk door plaatsing van o.a. exclusion flaps, -cones en -tubes. Vleermuizen kunnen er wel uit, maar niet meer terug. Uiteraard dient bij de plaatsing rekening gehouden te worden met de kwetsbare winter- en kraamperiode. De isolatiebranche kan voorafgaand aan het uiteindelijk isoleren deze maatregelen zelf uitvoeren en kan daarbij de particulier ontzorgen. De isolateurs dienen hiervoor wel een training “Natuurvrij maken” gevolgd te hebben (opgezet door Provincie Utrecht), zodat dit ook goed gedaan zal worden (uitgevoerde maatregelen worden gedocumenteerd en gemeld). Daarnaast leert de isolateur tijdens de opleiding gelijk hoe er nieuwe verblijfplaatsen gecreëerd moet worden. Een belangrijk onderdeel binnen het pre-SMP is namelijk dat iedere gevel die geïsoleerd zal worden een nieuwe verblijfplaats krijgt. Deze nieuwe verblijfplaatsen worden in principe gecreëerd door ruimtes in de te isoleren gevels vrij te houden van isolatiemateriaal. Uit berekeningen is gebleken dat het vrijhouden van ruimtes tot één vierkante meter geen nadelige gevolgen heeft voor de woning qua vocht en een verwaarloosbaar effect heeft op de isolerende werking. Wanneer door bepaalde omstandigheden geen interne verblijfplaatsen aangebracht kunnen worden, kan bij uitzondering gekozen worden voor duurzame externe meerlaagse vleermuiskasten. De verblijfplaatsen die bij iedere gevel worden gecreëerd zijn hoofdzakelijk bedoeld voor de “simpelere” soortfunctiecombinaties, zoals zomer-, paar- en milde winterverblijfplaatsen.

Om bij het pre-SMP ook zorg te dragen voor alternatieven voor complexere soortfunctiecombinaties (zoals bijvoorbeeld een kraamverblijf) heeft de gemeente een belangrijke rol. Zij zullen bij aanvang van het pre-SMP hiervoor een groot aantal grotere maatregelen nemen, zoals bijvoorbeeld het toepassen van grote kraamkasten, aanpassen van kerktorens, creëren van gevelbetimmering of geschikt maken van zolders. De hoeveelheid maatregelen die de gemeente moet nemen is afhankelijk van het aantal verwachtte kolonies in een gemeente. Omdat bij aanvang van het pre-SMP deze kolonies nog niet in beeld zijn gebracht wordt het aantal in eerste instantie modelmatig bepaald. Dit model wordt door de Provincie Utrecht inmiddels het “model van Snijder” genoemd en is opgesteld door ecologisch bureau Viridis, samen met ecologen van de provincie zelf. Het model maakt gebruik van diverse bekende data over aantal verblijfplaatsen en dichtheden van individuen in kolonie. Het model is opgebouwd uit diverse parameters en bij de invulling van het model wordt altijd gekozen voor de veilige data, waardoor de kans op onderschatting van het aantal kolonies minimaal is. Het model is diverse malen getoetst met data uit uitgevoerde onderzoeken en daarbij bleek nooit sprake te zijn van een onderschatting door het model.

De gemeente is ontheffinghouder van een pre-SMP en alleen gecertificeerde isolatiebedrijven mogen met een machtiging van de gemeente werkzaamheden uitvoeren. Wel moeten ze elk project, inclusief foto’s van de ingrepen, melden via een GIS applicatie.

Bij het pre-SMP wordt het doden van vleermuizen voorkomen en worden er bij alle gevels nieuwe verblijfplaatsen gecreëerd. Daarnaast worden er ook direct grote maatregelen genomen door de gemeente voor de complexe verblijfplaatsen. Maar direct met de start van het pre-SMP zal gestart worden met het uitvoeren van populatiegerichte onderzoeken. Deze gegevens vervangen binnen één jaar de eerdere modelmatige berekening en gaan de basis vormen voor het uiteindelijke SMP.

Het pre-SMP geldt niet voor iedereen en alles. Bij de grotere en georganiseerde (collectieve) isolatiewerkzaamheden zal in de pre-SMP periode een regulier ecologisch onderzoek nodig blijven, omdat de omvang van deze werkzaamheden een grotere dichtheid aan effect geven. Het pre-SMP geldt daarom alleen voor grondgebonden particuliere koopwoningen. Daarnaast mag er gedurende de pre-SMP periode (van maximaal 2 jaar) maximaal 30% van de grondgebonden particuliere koopwoningen na-geïsoleerd worden. Wanneer het SMP is opgesteld kan dit maximum vervallen en vallen ook andere woningen en complexen (zoals VVE’s en corporatie woningen) onder deze ontheffing.

Het pre-SMP geldt in principe voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger, baardvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Wanneer kwetsbaardere soorten worden verwacht, zoals meervleermuis dient hier rekening mee gehouden te worden. Dit kan in sommige gevallen er voor zorgen dat extra maatregelen nodig zijn of dat er een beperking is voor bepaalde gebieden of type gebouwen in de gemeente. Een maatwerkbeoordeling van de mogelijkheden voor het pre-SMP is dan noodzakelijk.

Provincie Utrecht heeft goed samengewerkt met VENIN (branchevereniging van erkende isolerende bedrijven), zodat maatregelen en werkwijzen ook uitvoerbaar en inpasbaar zijn voor de isolatiebranche. De isolatiebranche heeft een belangrijke verantwoordelijkheid voor het juist uitvoeren van de maatregelen. Door natuurvriendelijk te isoleren werken ze ecologisch correct, en met een gemeentenlijke pre-SMP ontheffing bovendien ook juridisch correct. Het is dus aan gemeenten om deze verantwoordelijkheid op te pakken en zo’n ontheffing aan te vragen!

Overigens geldt het pre-SMP niet alleen voor vleermuizen, maar ook voor huismus en gierzwaluw. Voor deze soorten werkt het min of meer hetzelfde als voor vleermuizen, want ook daar worden maatregelen genomen om doden te voorkomen en worden er per gevel verblijfplaatsen gecreëerd.

Het pre-SMP is de eerste stap van de tweetrapsraket voor de bescherming van vleermuizen. Het is snel in de praktijk uitvoerbaar en kan daarom gezien worden als een snelverband die we aanleggen over de wond waardoor we vleermuizen verliezen. De uiteindelijke genezing wordt gegarandeerd door het SMP (tweede stap van de tweestapsraket), waarmee populaties verder gestimuleerd gaan worden en een duurzame bescherming zal bieden.  Omdat het SMP zo’n cruciale rol gaat spelen is de kwaliteit van het plan van groot belang. Laten we bij het ontwikkelen van deze SMP’s elkaar vooral scherp houden en elkaar stimuleren om de juiste kennis toe te passen en de talrijke kansen te pakken.

Wij vinden het echt belangrijk om te zeggen dat wij trots zijn op Provincie Utrecht dat zij buiten de gebaande paden durfde te gaan om te zoeken naar een methode die op korte termijn een oplossing geeft, maar ook op lange termijn echt een betere oplossing is voor de bescherming van soorten in vergelijking met de huidige werkwijze. Natuurlijk zijn wij er dan ook weer trots op dat wij onderdeel mochten zijn van deze zoektocht.

Naast Provincie Utrecht heeft Provincie Overijssel inmiddels ook de pre-SMP/SMP-methodiek overgenomen. Wij hopen van harte dat ook andere provincies (en wellicht ook de landelijke overheid) snel zullen volgen, want die eerste stap onderweg naar een SMP kan niet snel genoeg genomen worden.

Naar iets opzoek? Vul het hier in...

Search